Cover verhaal: preparateur Jan van der Laan

Het is de winter van 1963. Het is koud, berenkoud. Het heeft zo hard gevroren dat zelfs het IJsselmeer dicht ligt. Er wordt op gereden. Met de schaats maar ook met de auto, zo dik is het. Pret met hoofdletters. Behalve voor de vogels, die sterven bij bosjes. De meest bijzondere exemplaren worden aangeboden bij preparateur Bergsma in Harlingen. Die komt echter handen te kort. Jan van der Laan biedt zijn hulp aan en sindsdien is de inwoner van Makkum preparateur. Nou ja, officieel pas sinds hij toestemming kreeg van de overheid en hij zijn baan in de verzekeringen er aan gaf.

Jan van der Laan

Een kleine aarzeling als we het voorportaal van de werkruimte van Jan van der Laan (85) in Makkum betreden. Aan weerskanten opgezette dieren waar de vogels het meest vertegenwoordigd zijn: een sperwer, een oehoe, mus, torenvalk, een heuse zeearend. Halverwege ongeveer, op de grond, een hond. Zo levensecht dat we een pas op de plaats maken. Heel even. Van der Laan moet lachen. “Die is redelijk goed gelukt, hè?” zegt hij. Apart ook, de hond op de grond, want huisdieren doet Van der Laan eigenlijk niet. Net als dolfijnen trouwens, maar dat lijkt logischer, want dat mag wettelijk gezien niet.

Lam met acht poten

Jan van der Laan: “Als mensen hier met huisdieren komen, raad ik het altijd af. Want ze verwachten een exacte kopie en dat kan niet. Het wordt nooit de kat of hond die ze hadden. Maar als ze het echt willen, dan doe ik het wel. En zijn ze tevreden.” Namen en rugnummers noemend is de hond op de grond een Tervuerense herder. Van der Laan: “Was van een vrouw uit Heemstede. Het was haar kind, want ze was alleen. Toen ze kwam te overlijden, kreeg ik hem terug. Van haar weduwnaar, ze had de ware toch nog ontmoet en was getrouwd. Maar die man had niets met de hond en bracht hem bij ons.”

Opvallend tussen alle vogels is een lammetje. Eentje met drie oren. We kijken nog eens en zien dat hij ook meer dan vier poten heeft. We tellen er maar liefst acht! Een wondere speling der natuur. Jan van der Laan, nuchter: “Je krijgt hier soms de meeste vreemde beestjes binnen. Dat lammetje heb ik gekregen. Had eerst gevraagd of het een opdracht was, want dat wilde ik niet. Durfde het niet aan. Ik dacht dat het zou mislukken.” Dan lachend: “Ik wist niet waar ik met al die poten naartoe moest.”

Vader was broodjager

Als jongetje was Jan al gefascineerd door vogels. “In 1947 was het een strenge winter. Voor Sinterklaas had ik een slee gekregen. Daarmee ging ik na schooltijd over het ijs langs de zeedijk om vogels te zoeken. Toen vond ik dat al prachtig en die belangstelling is altijd gebleven. Ik wilde die vogels bewaren, maar wist niet hoe. Dat duurde tot de winter van 1963. Vlak na de oorlog was mijn vader was broodjager en beroepsvisser. Hij joeg op alle wild, dat mocht toen nog. Paar keer in de week kwam ie thuis met meerkoeten. Die aten we op, maar ik moest ze eerst villen. Dus toen meneer Bergsma vroeg of ik ervaring met villen had, kon ik daar met ‘ja ‘op antwoorden. Ik ben een half jaar bij hem in de leer geweest, toen was de grootste voorraad weggewerkt. Ik dacht, nu kan ik het wel. Maar ik kon het niet. Ik wist hoe het moest, maar dat is een heel verschil. In die tijd mocht je alleen prepareren als je een erkenning had van het ministerie van Landbouw en Visserij. Ik mocht alleen onbeschermde vogels prepareren.”

Jongensboeken schrijven

Van der Laan stuurde een verzoek om erkenning en kreeg op een goed moment bezoek van een ambtenaar van desbetreffend ministerie.  “Het lijkt nergens naar,” zei die man, “maar ga maar door, want ik zie wel dat het er in zit. Binnen afzienbare tijd kom ik terug.” Een rekbaar begrip, zo bleek. Het duurde drie jaar totdat de man zich weer meldde. Met de gekoesterde erkenning, dat wel. Niet lang daarna nam Van der Laan ontslag en begon voor zichzelf. Dat het zo lang duurder voordat hij zijn erkenning had, kwam omdat de overheid had bedacht dat er per provincie slechts één of twee preparateurs mochten zijn. Eenmaal de erkenning, had dat voor de geboren en getogen Makkumer het gevolg dat hij het door het gebrek aan concurrentie al snel druk had. Tot die tijd had Van der Laan echter niet stilgezeten, want hij schreef een paar (biografische) jongensboeken. “Die verkochten best goed. Dat was er leuk bij”, knipoogt hij.

Eerst in de vriezer

Kleine vogels zoals mussen, torenvalken en sperwers zijn vaak raamslachtoffers of zijn gedood door katten. Het gros van de binnengebrachte dieren is echter slachtoffer van het verkeer. “Als een dier hier binnen wordt gebracht om te worden opgezet, kijk ik eerst of het kan. Als er een auto overheen is gereden en alles buiten zit wat binnen moet zitten, wordt het moeilijk. Er als ze te lang in de zon hebben gelegen, zijn ze al zo ver ontbonden, dan wordt het ook niets. Maar als het wel kan, dan vraag ik of ie moet staan, liggen, vliegen, hangen en vleugels open of dicht. Alles kan. En dan gaat ie eerst in de vriezer.”

Binnenwerk verwijderd

Op de hoogte van onze komst, heeft Van der Laan een steenmarter uit de vriezer gehaald. Van het voorportaal zijn we intussen verhuisd naar de werkplek, het atelier zoals u wilt. Om het voor ons niet te bloederig te maken, is het ‘binnenwerk’ al verwijderd, met een scalpel. Bovendien is het vel gewassen, bijvoorbeeld om het bloed dat in de vacht terecht is gekomen door het villen, eruit te halen. Daarna komt het in een looibad. Dat zorgt ervoor dat het niet gaat ontbinden. Looi bevat zout en aluin, dat moet eruit en dus wordt de vacht voor een tweede keer gewassen. Vervolgens komt de föhn er aan te pas en is het zover om de boel te gaan vullen. Er wordt nieuw binnenwerk gemaakt, van houtwol omwikkeld met bindgaren. Dat is niet een kwestie van prop het omhulsel maar vol, maar is een serieuze bezigheid, want het lijf moet natuurlijk wel de juiste vorm en welvingen hebben.

“Een exacte kopie van het binnenwerk”, zegt Van der Laan stellig. “Het moet wel kloppen. Het kopje maak ik meestal van piepschuim. Als ik een bunzing of een steenmater heb en de klant de bek open wil, gebruik ik de originele schedel.” De poten worden gevuld met watten en worden met draadstaal aan het lijf gezet. Als er dan ook nog kunststof ogen er in komen, is de preparatie van de steenmarter bijna klaar. Het enige wat nog moet gebeuren is hem op een mooie boomstronk plaatsen. Het opzetten van een steenmarter duurt rond de zes uren.

Perfectionisme

Het opzetten van een kleine vogel neemt een dagdeel in beslag. Van der Laan: “Een kleine vogel hoeft niet in een looibad. Daar heb ik looistof voor en dat breng ik met een kwastje aan.” Het lijkt een open deur als Van der Laan zegt: “Wat ik altijd probeer– maar wat bijna nooit lukt – is dat je niet kunt zien dat het een geprepareerd dier is. Je probeert een kopie te maken van een levende soort. Maar wij zijn te perfectionistisch. Ik heb het daar ook wel met collega’s over gehad. Terwijl de klant dik tevreden is.” Dat perfectionisme zit hem in details, legt hij uit. “Kijk,” zegt Van der Laan, wijzend op een veertje in de nek van een torenvalk, “dat zit me nog niet naar de zin. Daar ga ik straks nog iets aan doen.”

Tekst: Richard de Jonge

Foto’s: Jelly Mellema Fotografie en Richard de Jonge