Face to Face Uke Boonstra-Stellingwerf

De honderdjarige Uke Boonstra-Stellingwerf uit Makkum vertelt honderduit als we bij haar komen voor een interview in GrootBoksward-IJsselmeerkust. Een grote stapel felicitatiekaarten bewijst inderdaad dat ze een paar maanden geleden honderd jaar is geworden, maar dat geef je haar absoluut niet. De kwieke en energieke eeuweling woont nog zelfstandig en neemt ons mee naar bijzondere gebeurtenissen in haar leven. 

Mevrouw Boonstra werd als Uke Stellingwerf geboren op 17 mei 1922 in Bolsward. Grootvader Stellingwerf van vaders kant was koster in de gereformeerde kerk. Grootvader Nawijn van moeders kant stamde af van de Hugenoten en was organist. Samen met haar ouders en broer woonde Uke aan de buitenkant van de stad in de landbuurt aan de Workumervaart. 

Geen elektrisch

“Wij hadden geen fiets, dus moesten we alles belopen”, vertelt mevrouw Boonstra. “De hele lagere schoolperiode liep ik naar school, in mijn beleving was dat een heel eind.” Ze weet nog goed dat haar eerste fiets eentje van ‘Eisma Rijwielen’ was. “Uit allerlei onderdelen zette die voor tien gulden een fiets in elkaar.” Omdat ze buiten de bolwerken woonden, hadden ze geen elektrisch, maar al wel gas en licht. In het laatste jaar van de oorlog toen alles op de bon was, waren ook gas en licht er echter niet meer. “We verwarmden natte turf uit Parrega en maakten licht in een jampotje met wat vloeistof.” 

Moeilijke oorlogsjaren

De oorlogsjaren waren moeilijk, meent mevrouw Boonstra. Haar enige broer was in Rotterdam tijdens het bombardement in mei 1940 en zat bij de ondergrondse. “Soms was hij nachten weg en wist ik niet wat er gebeurde.” Tijdens de oorlogsjaren leerde ze haar eerste man Lourens van der Weerd kennen, die samen met zijn broer een elektrische winkel in Makkum had. “Hier in Makkum is enorm veel gevochten. Mijn man en zijn broer zijn op het eind van de oorlog nog opgepakt en op een zaterdag naar de gevangenis in Sneek gebracht. Daar zijn ze een paar dagen geweest en hebben ze zware verhoren ondergaan. Mijn moeder had pannenkoekjes gebakken en die wilden mijn aanstaande schoonzus en ik hen brengen.” Op de fiets naar Sneek herkende ze vlak voor Nijland mensen op de fiets, die ook opgepakt waren geweest. Die wisten te vertellen dat de beide mannen waren vrijgelaten. “Ze waren lopend naar de bakker in Nijland gegaan, omdat ze zo’n honger hadden. Toen hebben we hen achterop de fiets naar huis gebracht.” 

Opgaande tijd na de oorlog

Na de oorlog woonde het echtpaar Van der Weerd-Stellingwerf bij de winkel in Makkum. “Anders dan anderen in die tijd hadden we direct een mooi huis; eentje met een keuken en elektrisch. Het dak was provisorisch gerepareerd, daar was een granaat op gevallen.” Het was een opgaande tijd na de oorlog, vooral op het gebied van elektrische apparaten. “Altijd kwam er weer wat nieuws en er waren allemaal jonge mensen die dat ook bij ons aanschaften. Dat is anders dan nu. Nu kijken mensen in de winkel en kopen ze online.” 

Op een gegeven moment had de familie Van der Weerd wel vijf winkels en zeventig man personeel in dienst. “Op vrijdag waren we open tot negen uur en dan ook nog eens de hele zaterdag. Alleen op zondag was je echt vrij”, weet mevrouw Boonstra. Desondanks was ze later ook maatschappelijk actief. “Ik zat in het koor; en als voorzitter van de CHU van Wûnseradiel heb ik de oprichting van het CDA nog meegemaakt. Ik stond lange tijd op de lijst voor de gemeenteraad; nooit op een verkiesbare plek vanwege ons werk.” 

Man-vrouw verhoudingen

Toen ze op woensdagmiddag vrij kreeg van de winkel sloot zij zich aan bij de Plattelandsvrouwen. Van het plaatselijke bestuur belandde ze in het provinciale bestuur en later zelfs in het landelijke bestuur. “Het was een prachtige periode in mijn leven. Als er iets te beleven was, was ik erbij. Vaak reed ik ‘s maandags eerste klas met de trein naar Den Haag.” In de jaren vijftig en zestig waren er niet veel vrouwen die werkten. “Later werden dat er meer. Als ik toen naar buiten keek, zag ik andere vrouwen voorbij komen met de kinderwagen.” 

Ook toen de kinderen kwamen - twee zoons en een dochter - bleef ze in de winkel werken. “We woonden bij de winkel, dus ik was er altijd en kon tussen de bedrijven door even koken. Bovendien hadden we hulp en de kinderen redden zich veel zelf.” Toen de kinderen klein waren gingen ze naar de christelijke school. “Het bestuur had elk jaar een vergadering waar ik naar toeging. Tijdens een bestuursverkiezing keek ik om me heen en zag dat ik enige was die geen briefje had. ‘Jullie slaan mij over’, zei ik. Wat bleek? Ik mocht niet stemmen! Nou, toen waren ze bij mij aan het verkeerde adres! Het jaar daarna was het anders: toen mochten vrouwen wél stemmen. Ja, zo was het toen. Later was mijn dochter hoofd van de kleuterschool, maar toen ze trouwde moest ze eruit.” 

Mevrouw Boonstra kan zich er nu nóg over opwinden. “Vreselijk vind ik dat.”

De blauwe knoop

In het weekend ging het gezin naar de camping. “Veel mensen met een winkel hadden een caravan op De Sânkop. (nu De Holle Poarte – red.). Onze kinderen zijn daar samen opgegroeid. Zaterdagavond was er altijd muziek en daar zaten we gezellig bij elkaar. De vrouwen dronken dan iets van een ‘bessentje’ en de mannen een jenevertje. Ik hield op met één glaasje, hoor. Tot aan ons trouwen heb ik nooit gedronken. Eigenlijk waren we thuis van de blauwe knoop. Mijn oom was voorzitter van de vereniging en dat was ook hard nodig in die tijd. Er was veel werkvolk dat dronk en er het zuurverdiende geld door heen jaste. Ik drink nog steeds heel weinig, dat krijg je mee van huis.”

Veel meegemaakt

Mevrouw Boonstra gelooft niet dat ze stress kent. Wel heeft ze veel meegemaakt. Haar zwager en haar man Lourens, beiden directeur van de BV overleden vlak na elkaar. “Mijn oudste zoon kwam in hun plaats. Hij heeft het heel zwaar gehad. Later is hij dement geworden. Hij heeft vijf jaar in Bloemkamp gezeten en is op 69-jarige leeftijd overleden.”  

Twee jaar na het overlijden van haar man trouwde ze opnieuw. Met Oebele Boonstra, die in Leeuwarden woonde. “Wat een ander leven: hij was leraar en we gingen direct al op vakantie. Later werd ook hij dement en hebben we moeilijke laatste jaren meegemaakt. Daarna kwam ik weer in Makkum. Zeventien jaar was ik eruit geweest. Mensen kenden me van de winkel en met de naam Van der Weerd, ik kwam terug als mevrouw Boonstra. 

Ik ben hier direct overal bij gegaan, zo kom je er vanzelf tussen. Ik ben altijd een kerkganger geweest en daar ken ik veel mensen van. Ik ging zingen in het Sneker seniorenkoor en ik stapte in het bestuur van de ouderenbond PCOB.” 

Verschrikkelijk hoe de wereld nu is

Mevrouw Boonstra heeft enorm veel gereisd, is in heel Europa, Canada, Amerika en Afrika geweest. Hoogtepunten waren voor haar de reizen ‘in de voetsporen van’. “In de voetsporen van Paulus, in de voetsporen van Luther, in de voetsporen van de emigranten. Dat zijn dingen waar ik interesse voor heb.” Zevolgt het nieuws op de voet. “Ondanks mijn oogaandoening kan ik nog wel lezen. Ik moet er niet aan denken dat ik niet meer kan lezen. Vroeger las ik al stiekem met de zaklamp onder de dekens als ik niet kon slapen. Ook de krant kan ik gelukkig nog via mijn iPad lezen. Over de situatie in Oekraïne wil ik alles weten. Ik vind het vreselijk hoe de wereld nu is. Wat nu in Oekraïne gebeurt, is eigenlijk hetzelfde als wat wij met Duitsland hebben meegemaakt: een plotselinge inval, terwijl ze zeiden dat ze het niet zouden doen.”

Avondrust?

Hoewel mevrouw Boonstra vitaal is, overweegt ze zich toch aan te melden bij ‘Avondrust’ .”Eigenlijk wilde ik dat nooit. Maar tijdens corona waren er dagen dat ik niemand sprak en ik de woorden niet meer kon vinden als ik ineens iemand tegen kwam in het dorp. Ondanks mijn jaren was ik altijd een van de besten van de vrouwenvereniging, maar die is over de kop. Ik kan nog goed zingen, heb tijdens de hele coronaperiode thuis door gezongen. Dan sla ik een psalmboek open en het lied dat voor komt te liggen zing ik dan, want ik kan goed noten lezen. Tot mijn 99ste heb ik zelf autogereden, maar opnieuw proefrijden heb ik niet gedaan. Ineens kreeg ik zwarte vlekken voor de ogen. Ik kon niet meer goed zien; als ik een dahlia wilde afknippen zat ik er wel zo’n stuk naast. Ik kon geen draad meer in de naald krijgen. Vandaar Avondrust. Nu eerst maar eens afwachten of ik erin kom.”

Beeld: Jelly Mellema fotografie

Tekst: Riemie van Dijk