Lodewijk Zwierstra deelt de magie van vijf kruisjes: “Opgeven in de Tocht is geen optie”
HINDELOOPEN - Vijf keer de Elfstedentocht schaatsen, dat is vermoedelijk slechts aan een zeer select groepje mensen voorbehouden. Lodewijk Zwierstra is één van hen. Maar met wie kan hij zijn ervaringen delen?

“Het kunnen er niet veel zijn”, zegt Zwierstra, zelf inmiddels 88 jaar oud. Wie vijf kruisjes bijeen geschaatst wil hebben, moet in ieder geval in 1956 de tocht voor het eerst hebben uitgereden en nadien geen enkele editie hebben gemist. Zwierstra zelf reed zijn eerste Elfstedentocht in 1954. “Ik weet het nog als de dag van gisteren. “Om in contact te komen met mensen die ook vijf tochten hebben volbracht, deed Zwierstra de voorbije maanden meermaals een oproep. Hij ontving tot dusver vijf reacties.
Drie van de mannen die gehoor gaven, treft hij deze zaterdag in het Schaatsmuseum in Hindeloopen. Het zijn Bart Koopmans (88) uit Heerenveen, Jo Hamburg (89) uit Bolsward en Jaap Bijlsma (96) uit Sneek. Ook zij zijn, net als Zwierstra, voorgoed besmet met het Elfstedenvirus.
“Afgeraden om van start te gaan”
“Nee, zenuwachtig was ik niet, die eerste keer”, zegt Zwierstra. Hij was nog maar net achttien jaar, toen hij in de vroege morgen van 3 februari 1954, op houtjes en met een rugzak vol eten, aan zijn eerste Elfstedentocht begon. Samen met zijn vader, die de tocht al drie keer eerder had gereden, broer en een oom volbracht de Leeuwarder de 200 kilometer. “Het was gewoon starten en rijden. “Volharding is het enige wat telt tijdens een Elfstedentocht, weet Zwierstra sindsdien. “Toen, in 1954, werd de avond voor de tocht op de radio gezegd dat het heel slecht weer zou worden. Ze voorspelden sneeuw en storm en het werd mensen afgeraden om van start te gaan.”
De Zwierstra’s sloegen het advies in de wind en waagden het er gewoon op. “Het was uiteindelijk een makkie”, vertelt de Leeuwarder. “We hadden prachtig weer en het was heel mooi om met z’n allen te schaatsen.”
“De Elfstedentocht, wat is dat?”
Door de tocht van 1954 raakte Zwierstra het Elfstedenvirus nooit meer kwijt, met als gevolg dat hij ook de kruisjes van 1956, 1985, 1986 en 1997 vergaarde. Zijn sleutel tot succes was om onderweg zo weinig mogelijk te pauzeren. “Ik had vooral kleine stukjes kaas, worst en rozijnen bij me, die ik al schaatsend uit mijn tas kon pakken. Daardoor hoefde ik niet steeds te stoppen. “De enige tocht die de Leeuwarder aan zich voorbij moest laten gaan, was de helse editie van 1963. Dat hij op de deelnemerslijst ontbrak, was bepaald niet uit vrije wil. “Ik studeerde destijds aan de Technische Universiteit van Delft en zat midden in de tentamenperiode”, zegt Zwierstra. “De desbetreffende professor wilde geen uitzondering voor mij maken. ‘De Elfstedentocht, wat is dat?’, vroeg hij. Als ik het tentamen zou overslaan, zou ik het pas een half jaar later kunnen inhalen.”
Zwierstra wilde geen studievertraging oplopen en liet daarom de tocht aan zich voorbijgaan. Jammer, vindt hij, zeker met de kennis van nu. Aan de andere kant beseft hij maar al te goed wat er had kunnen gebeuren. “Als ik de verhalen over bevroren ogen en tenen en al dat soort zaken hoor, dan is het misschien maar beter dat ik niet aan het vertrek stond. Nu heb ik er ook geen trammelant aan overgehouden.“ De ingetogen wijze waarop Zwierstra over die eerste Elfstedentochten praat, past in het tijdsbeeld van de jaren vijftig en zestig. Destijds was de tocht nog niet zo bekend en populair en was het voornamelijk een evenement voor pure schaatsliefhebbers. Pas na de editie van 1963 verkreeg de Elfstedentocht zijn mythische status, om vervolgens door de edities van ‘85 en ‘86 uit te groeien tot een volksfeest waarin Jan en alleman, middels het rijden van de monsterafstand, zijn geluk wil beproeven.
“Ik wil niet meer, laat mij hier maar liggen”
Zwierstra maakte het allemaal mee en zit dan ook vol anekdotes. Zo ervoer hij al in 1956 welke bijzondere krachten de tocht in een mens kan vrijmaken. “Het sneeuwde en we waren met vijf man, allen vreemden van elkaar, onderweg. Opeens dook één van de rijders het riet in. ‘Ik kan niet meer, ik wil niet meer’, jammerde hij. ‘Laat mij hier maar liggen’.”
“Nou, dat kon natuurlijk niet”, vertelt Zwierstra. “We namen hem tussen ons in mee naar Franeker. Daar zouden we hem, zo was het plan, op de trein naar Leeuwarden zetten. Toen we er eenmaal waren, herpakte hij zich. Hij zette door en heeft uiteindelijk zelfs nog grote stukken op kop gereden.”
Alle tochten waren speciaal voor Zwierstra. “Welke ik het mooiste vond? Dat vind ik heel moeilijk te zeggen. Aan elke editie bewaar ik specifieke herinneringen. Elke keer waren de omstandigheden anders en ontmoette ik nieuwe mensen. Dat maakt ze allemaal bijzonder.”
Kou, harde wind en de beruchte hongerklop
Welke de zwaarste was, daar hoeft hij niet lang over te denken. “Dat was die van 1997. Het was koud en het waaide nogal hard. Vooral tussen Franeker en Dokkum had ik het moeilijk, daar zo in het kale noorden. “Bovendien kreeg hij een hongerklop.“ Zo’n vijf kilometer voor Dokkum wilde mijn lichaam niet meer verder. Ik kon geen slag meer maken. Ik ben gaan zitten, heb alles opgegeten wat ik nog had en na tien minuten kwam ik weer bij en kon ik weer verder. Toen heb ik ervaren wat wielrenners soms voelen”, zegt Zwierstra.
Hoezeer hij er op sommige momenten ook doorheen zat, opgeven was nooit een optie. “Nee”, zegt hij resoluut. “Bovendien was ik al bijna bij Dokkum, dan stop je niet meer.”
Hopen op een nieuwe tocht
Het vuur dat op jonge leeftijd in hem is ontbrand, is nooit meer gedoofd. Ook na zijn laatste tocht, toen Zwierstra al in de zestig was, trainde hij nog stug door voor een nieuwe editie. Jarenlang schaatste hij twee keer per week zijn rondjes. Eerst in Thialf, later in de Elfstedenhal in Leeuwarden. Pas afgelopen jaar is hij gestopt met trainen. Als 88-jarige wil hij zich niet meer aan het avontuur wagen. “Ik dacht: nu moet ik ophouden, het is wel genoeg geweest.”
En al zal hij zelf niet meer aan de start staan, de hoop dat hij nog een Elfstedentocht zal meemaken laat Zwierstra niet varen. “Misschien ben ik wat te optimistisch”, zegt hij. “Maar als we in de zomer pieken hebben, dan kunnen we deze ook in de winter krijgen. We houden de moed erin!”
Bron: Omrop Fryslân, Klaske Berger











