Face to Face met Otto Groenhof: “Het schip heeft me de liefde van mijn leven gebracht”
KOUDUM - Een camper kopen en dan de vrijheid tegemoet, de wijde wereld in, te beginnen bij de Scandinavische landen met Noorwegen als voorkeur. Dat staat er op het programma als het schip straks is verkocht en ook ‘zijn’ Jutta niet meer hoeft te werken. We hebben een Face to Face interview met Otto Groenhof (59), schipper op de elegante tweemastklipper Beantra, die Lemmer als thuis- en afvaarthaven heeft.

Het blinkt ons tegemoet als we afdalen in de salon van de Beantra. Hier is duidelijk een vakman aan het werk geweest met liefde voor zijn werk. Eigenaar/schipper Otto Groenhof glimt: “Ik doe alles zelf. Mijn vrouw en ik waren gisteren vijf jaar getrouwd, we zijn lekker even uit eten geweest. Maar ik moet nu aan de bak. Voordat de gasten komen moet het grootzeil er nog af want er zat een scheur in. Er is altijd wat te doen.”
Onderscheiden
“Koop een boot en werk je dood”, grapt hij. “Maar dat hangt ook af van: hoe netjes ben je met je schip. Ik wil dat het er mooi en schoon uitziet. Dat verdienen mijn gasten, en dat vind ik belangrijk. We liggen hier op een rijtje. Als de gasten op de boot achter ons niet tevreden zijn, dan gaan ze kijken welke schepen er nog meer zijn. Mijn potentiële gasten lopen in de haven rond. En als mijn schip er dan goed uitziet, heb ik de eerste punten al binnen. Er zijn meer van dit type schepen en dan moet je je onderscheiden.”
Zeilgenen van vader
Otto, die eigenlijk Otte heet en is vernoemd naar zijn pake, maar dat vond zijn moeder geen mooie naam, dus vandaar Otto, werd geboren in Bakhuizen. Hij woonde tot zijn twaalfde in Joure, verhuisde naar Koudum, Workum en later weer terug naar Koudum waar hij nog steeds woont. In Joure maakte hij voor het eerst kennis met de zeilerij. “Mijn vader was bemanningslid op het Jouster skûtsje, ook nog toen hij met mijn moeder in Koudum café Spoorzicht zat. Ik denk dat ik van hem de zeilgenen heb. Als jonge jongen schoof ik in als ze een bemanningslid tekort kwamen.”
Toen ik begon sprak ik geen woord Duits en moest ik mijn gasten vertellen wat ze wel en wat ze niet moesten doen. Dat was erg lachen
Klik
Het heeft even geduurd voordat de ‘klik’ zoals hij dat zelf omschrijft, met Jutta er was. In de eerste jaren nadat Jutta in 2010 als Duitse gast bij hem aan boord stapte, heeft zich eerst een diepe vriendschap ontwikkeld. Inmiddels zijn ze vijf jaar getrouwd. Het is maar goed dat reizen en autorijden hun lust en leven is, want zijn grote liefde woont in het Duitse Datteln, ten noorden van Dortmund, op zo’n kleine drie uur rijden. “We zien elkaar elk weekend. Met een beetje geluk kunnen we straks tegelijk ophouden met werken en dan genieten.”
Vrijheid
Vrijheid, het woord valt een paar keer. Het was precies dat woord, dat gevoel, dat hem er indertijd van weerhield het café van zijn ouders over te nemen. “Ik wilde niet elke dag tussen de mensen zitten”, zegt hij, hoe vreemd dat ook mag klinken nu hij precies juist dát doet. “Maar dat zijn wel elke week nieuwe gasten en niet altijd dezelfde mensen die aan de bar hangen en steeds verder wegzakken, zoals in een dorpscafé. Natuurlijk, de vrijheid is beperkt, dat is altijd zo. Alle vrijheid is beperkt, wat je ook doet.”
Geen grote prater
In het café van zijn ouders heeft Otto geleerd de armen uit de mouwen te steken. Als het ‘s avonds druk was en er stond afwas, dan moesten hij en zijn zus afwassen en ‘s morgens moest altijd worden geholpen met schoonmaken. Ook op zondag. “Toen ik een jaar of zestien was en de avond daarvoor met vrienden op stap was geweest, was dat niet altijd leuk, natuurlijk. Mijn vader kreeg op een gegeven moment erg last van jicht. Toen is hij meteen gestopt met alcohol. En dan wordt het een heel ander verhaal. Als je ’s avonds niet ook even een paar biertjes drinkt, kijk je er anders tegenaan en was voor hem de lol er af. Als je drie of vier biertjes drinkt praat je wat makkelijker. Zonder kon mijn vader dat niet zo goed. Het was een erg lieve man, maar geen grote prater. Ben het zelf ook nooit geweest, maar dat is heel erg veranderd. Maar dat is ook omdat het moest. Toen ik hier begon sprak ik geen woord Duits en moest ik mijn gasten vertellen wat ze wel en wat ze niet moesten doen. Dat was erg lachen.”
Gastheer zijn
In het verleden zaten er nogal wat cowboys in de charterwereld; mensen die de vrijheid zochten en dachten die in deze bedrijfstak te vinden, weet hij. “Gelukkig is dat al flink uitgedund. Het wordt steeds professioneler, dat is een goede zaak. We zijn met mensen onderweg, willen mensen vermaken en het idee dat we alleen maar schipper zijn moet er uit. Dat je een goede gastheer bent, is veel belangrijker. Als onze gasten tevreden van boord gaan, ook omdat je altijd even een praatje met ze maakt in plaats van dat je alleen maar met je collega’s aan de wal staat te kletsen, komen ze terug. Rond de 85 procent van onze klanten is eerder aan boord geweest. Zo belangrijk is dat. Er zijn groepen die al 27 jaar komen.”
Boot te koop
Al zolang hij dit werk doet, is Groenhof aangesloten geweest bij een rederij. “Ik denk dat ik ook wel zonder een rederij zou kunnen, dat scheelt achttien procent provisie. Maar de boot staat te koop, al sinds corona en ik denk dat ik meer kans maak om hem te verkopen als ik bij een organisatie ben aangesloten.”
Het moment dat de zeilen omhoog gaan en de motor uit. Dat moment, dat gevoel, dat ga ik straks missen.
Maar vooralsnog loopt het geen storm en kan Otto Groenhof alleen maar hopen dat het tij keert. “Sinds corona worden schepen slecht verkocht. Komt ook door de banken. Als je nu bij een bank komt, moet je meer meebrengen dan dat je kunt lenen. Het zijn jonge jongens die zo’n boot willen kopen, maar die hebben geen geld en als ze dat wel hebben kopen ze niet zo’n boot”, knipoogt hij.
De ‘boot’ staat te koop. ‘Boot’? een vaartuig van dit kaliber wordt vaak schip genoemd. Hoe zit het nu eigenlijk? “Ik noem het altijd ‘boot’. Vroeger was het de ‘stoomboot’ en die waren ook al groot”, lacht Groenhof.
Deinen op de golven
De ‘Beantra’ - gebouwd in 1898 onder de naam ‘Dankbaarheid’ - is een tweemastklipper van 35,19 x 5,49 meter. Het heeft de Friese Meren, Waddenzee en IJsselmeer als vaargebied. De ‘bemensing’ bestaat uit twee personen: de schipper en een matroos. Groenhof: “Het is een binnenvaartschip. Ik mag er niet mee op zee, dat heeft met de veiligheid, met de zeewaardigheid te maken. Maar soms ga ik tegen het grensgebied bij Texel of Terschelling even ‘naar buiten’. Met rustig weer deinen op de golven. Een heerlijk gevoel is dat.
De charterwereld is een prachtig leven en het schip heeft mij de liefde van mijn leven gebracht. Het moment dat de zeilen omhoog gaan en de motor uit. Dat moment, dat gevoel, dat ga ik straks missen. En de omgang met mensen.”
Een joint en een sigaar
“Reizen”, antwoordt Otto op de vraag wat ze straks gaan doen, als de boot is verkocht. “Ik kan tóch niet op één plek blijven, dat heb ik nog nooit gedaan. We mogen graag wandelen. Ik kan me voorstellen dat we straks een camper huren of kopen. Ik ben gek op Noorwegen, ik ging daar met mijn ouders vroeger vaak heen op vakantie. Dat land en die mensen, zó mooi, daar wil ik heen. Ik ben ook gek op sneeuw. Ski’s passen mij heel goed. Er zijn tijden geweest dat ik winterdag wel vijf weken aan het skiën was. Als ik niet ga, word ik onrustig. Ik ben zelfs met een school die hier al 27 jaar komt jarenlang als skileraar meegegaan, naar Zuid-Tirol. Die leraren van toen zijn natuurlijk al lang met pensioen, maar we bellen elkaar nog steeds.
Ik heb met mijn vrouw afgesproken dat we negentig jaar worden. Dat we er samen op het bankje in het park eentje roken. Zij een joint, ik een sigaar, zo’n dikke die je nauwelijks vast kunt houden.”
Beeld: Jelly Mellema
Tekst: Richard de Jonge
![]()












